De Reddingshaak
De reddingshaak dient duidelijk zichtbaar te zijn opgehangen. Bijvoorbeeld aan een brugleuning, kademuur of op een andere plek in de nabijheid van een plaats waar men ongevallen kan verwachten.
Het gebruik
De stok wordt, met de haak naar voren, vervoerd naar de plaats waar de drenkeling zich bevindt. Tijdens het dragen maakt de haak een hoek van ongeveer 60 graden naar beneden. De boog van de haak is naar boven en de knop naar achteren gericht. Het dragen gebeurt over een schouder. Bij de walkant aangekomen is de haak klaar voor onmiddellijk gebruik. Denk in voorkomende gevallen er wel om niet met de bovenleiding van tram of trein in aanraking te komen. Dit is, vooral door de stroomgeleiding via de metalen draad, levensgevaarlijk.
De haak wordt langs de walkant schuin naar beneden in het water gestoken mat het open einde naar de walkant. Zo mogelijk laat de redder de stok tegen de walkant rusten. Hierdoor kan hij het boveneinde van de stok naar beneden drukken (hefboom). Beweeg de reddingshaak zo, dat de stok met het haakgedeelte onder een arm van de drenkeling wordt doorgestoken. Draai de stok dan een kwart slag zodat de drenkeling met de romp om de haak komt te hangen. De redder trekt de drenkeling nu naar zich toe en grijpt hem vast. Gebruik de haak hierbij niet als hefboom. Zorg eerst en vooral voor de drenkeling. Daarna wordt de reddingshaak weer op zijn plaats gehangen.
Bij het werken met de reddingshaak dient men in verband met het manoeuvreren en ter voorkoming van verwondingen goed op de eventuele omstanders te letten.

